Waar is Haddock heen..?

My Photo
Name:
Location: Eastbourne, United Kingdom

Wednesday, March 23, 2005

Foetshie...verdwenen....



:0)

DE AVERULLE EN DE BLOMME


Daar zat ne keer een Averulle
en lekte met nen zom,
zom, zom,
den dauw van op de blaren,
die klaar bedreupeld waren
lijk met nen dreupel rom,
rom, rom.

Wanneer zij fraai gedronken had,
zoo vloog ze scheef en krom,
rom, rom,
al neuzlen en half dronken,
tot waar de kleêrkes blonken
van eene schoone blom,
lom, lom.

De blomme die ze kommen zag
en viel niet al te dom,
dom, dom,
maar riep zoo, loos van zinnen:
"Hei, Kobbe, kom mij spinnen
een kobbenet rondom,
om, om."

En Kobbe, die was seffens g'reed,
en steld'heur pootjes krom,
rom, rom,
zij spon heur looze netten
om heur daarin te zetten,
en zat daar stille en stom,
tom, tom.

En als de Rulle kwam nabij
gefoldderd, krom en slom,
lom, lom,
zoo is ze in 't net gevlogen,
en deerlijk uitgezogen,
ofschoon zij jankte: "Zom
zom, zom!"

De looze blomme loech ermeê,
die looze booze blom,
lom, lom,
eilaas! zoo menig jonkher
wordt uitgezogen pronker,
om eene schoone blom,
dom! dom!


Guido Gezelle, 1855

n.b.:
Moeilijk doch echt mooi gedicht.
Stel je voor, dit gedicht gaat al 150 jaar mee...

je mhrl

Tuesday, March 22, 2005

Moeder van den Brink is niet meer.

Onze locale vroedvrouw, een echte dame, hare moeder is gisteren heengegaan.
Moeder in het verre lage land, dochter hier in het heilig. Land zeker.

M.CH. een gedicht ter ere van je moeder:


Ik Weet Niet 1861-Virginie Loveling

"Ik weet niet," suisde 't stroomend beekje,
"Noch wat ik ben, noch waar ik ga."
"En ik dan?" zuchtte in de hooge boomen
't Geritsel van den wind het na.

"En ik? en ik?" zeî braam en bieze,
"En ik?" riep alles ondereen.
En 't zand, dat opstoof langs de wegen,
Wist niet waarom, wist niet waarheen.


Een meesje zat op 't wilgentronkjen
En vloog langs 't water zoekend voort. -
Hebt gij nooit in uw eigen harte
Een weerklank van die stem gehoord.
-------------------------------------------

Saturday, March 19, 2005

Antwerpen? een kleine eeuw later.....


2005-1916= 89



Negen en tachtig jaar later, in het Heilig Land, dromend over Antwerpen, zijn geboortestad, geeft deze gedicht mij lentekribbels, vlinders in buik. Vreemd.

Mooi die overgang tussen stad en haven. Vergeet het belastingsgebouw niet!



NIEUWE LIEFDE Paul van Ostaijen



Daar gaat mijn nieuwe liefde waar noordwaarts der stad
de straten saamlopen op dokken, stroom, kanalen en stapelhuizen
en zich weer in eindeloze dokken splitsen en verbreden, 't land in.

Alles is nieuw nu, door deze zomer; de onbekende straten
dragen namen van rivieren en van landen, ook van steden;
alles is zó tastbaar wezenlik, spijts het vaag suggestieve van die namerij.

Rijpt nu zang om het geluk dat lacht uit de stapelhuizen,
speelt over de blinkende rails van de spoorweg,
de ijzeren bruggen en de elevators. Mijn nieuw geluk brandt.

O als de zon zinkt, zet een laatste maal de stalen wil in rood
en blakert op de rode, kubies-gestapelde bakstenen!
O het verlangen van die rode stenen te breken uit de rode huls,

te spatten hun leven, gelijk een zot geweld, tot aan de zon,
die hun leven schonk, in gek begeren van het laaiend lijf.
De laatste omarming van de minnaars voor de dagelikse dood.

Ik omhels het geluk dat me verlost uit het tingeltangelleven
en uit de paar half-schuine etablissementen, -- een paar danseressen,
een danser-diseur, een klein, arm orkest en een familjaire waardin,--
waar mijn leven te zieltogen lag.

De zon brandt, de zon breekt, de zon barst.
Overal is geluk; in deze rode trem die voorbij snort
de brug af, geluk dat zich weerspiegelt in de ogen van mijn welbeminde.

En 's avonds zegepraalt het geluk in de hoog-ijl-gele globes,
boven de spoorweg en aan het station; het geluk klingelt
uit een danszaal en verovert de ganse straat.

Het geluk is tussen de lippen van dit kind en de gepletterde kers,
gelijk het is tussen de kerselippen van mijn lief
en van uw lief, o jonge man die ginds gaat, o broeder, mijn gelijke.

Het geluk is een dwaze maagd die zich laat zoenen
door elke, sterke, jonge man.

Juli 1916
Uit Ik en de Stad

Saturday, March 12, 2005

De Rederijkerskamer

Beste buurman,

Ik voel mij genoodzaakt om u, waarde heer, na mijn vorige
twee-gedichten-post, te vergoeden met 3 mooie nieuwe gedichten.

> De eerste (=Woningloze)is gedicht door een scheepsarts, die de moordadige,
> morbiede realiteit van ons leven ontvluchtte naar zijn eigen schoon wereld
> der letteren.
> De tweede een Haagse gedicht ergens opgeraapt. ook goed.
> De derde een O zo Vlaamse rebel, Paul V.O. een aanhanger van het ridikuul
> dadaisme. Mijn uitverkoren dichter!

Veel genot,

Hier gaan we dan:

> 1.
> Woningloze
>
> Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
> Nooit vond ik ergens anders onderdak
> Voor de eigenhaard gevoelde ik nooit een zwak,
> Een tent werd door de stormwind meegenomen.
> Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
> Zolang ik weet dat ik in wildernis,
> In steppen stad en woud dat onderkomen
> Kan vinden, deert mij geen bekommernis.
> Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
> Dat vףףr de nacht mij de oude kracht ontbreekt
> En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
> Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
> Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
> Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.
>
> J.J. Slauerhoff (scheepsarts)
> -------------------------
>
>
> 2.
> KLOPPEN S.V.P.
>
> van september '35 tot juni '38
> studeerde ik middelbaar engels a.
> de lessen werden gegeven
> in het gymnasium
> aan de laan van meerdervoort te den haag
> het was een zich deftig voordoend gebouw.
> de stortbak van de w.c.
> had dan ook twee deftige trekkers,
> er hing een stukje ivoorkarton naast
> waarop in deftige drukletters stond:
> "voor grote spoeling gebruike men de lange trekker
> voor kleine spoeling gebruike men de korte trekker"
> een vermoedelijk iets minder deftig
> iemand had eronder geschreven:
> "in geval van twijfel raadplege men de rector"
> moraal:
> ga niet bij het onderwijs,
> en als u toch bij het onderwijs gaat
> wordt dan liever geen rector
> ------------------------------------
>
>
> 3.
> Boere-charleston (Paul van Ostaijen)
>
> Tulpebollen bolle tulpen tulpetuilen
> rozetuilen
> boererozen boerewangen boerelongen
> boerelongen ballen wangen
> wangen ballen bekkens
> ballen bolle bekkens
> bugel en basson - o hop !
> wie heeft er de kleine bugel gezien
> wie heeft er de grote bugel gezien
> en wie Gaston met zijnen basson
> Marie-KatelijneMarie-Katerien
> want dit is geen pavane of geen sarabande meer
> dat is geen gigue of geen allemande meer
> en geen wals
> dat is 'nen charleston
> 'nen boerecharleston
> van Gaston op zijnen basson
> En wie heeft er de kleine bugel gezien
> en wie heeft er de grote bugel gezien
> en wie Gaston met zijnen basson
> De kleine bugel zit in 'nen rozetuil
> bij Rozalie
> de grote bugel zit in de sjees
> bij Melanie
> Marie-KatelijneMarie-Katerien
> En Gaston
> die zit «In de Ton» ik vraag u pardon
> Bolle wangen ballen bekkens
> bugel en basson


Hoogachten,
Maharal

Bovenstebeste meer schuine dan rechte tegenover de slechte,
De eerste de beste. Wie heeft nooit gehoord van Slauerhoff,
zichzelf vermoord, maar ongestoord gelezen. Je eigen tsores
gehoord in die van de ander bevrijdt van de eigen moord of
van die op de ander.
De tweede spreekt in zijn eenvoud onomwonden, maar ik heb in toiletten
gedurfdere gevonden die niet vermoeiden en waarin het verdrongene bloeide.
De laatste deed me vermoeden dat er sprake was van gevallen
waar er ook alkohol bruiste in de ballen.
En wij, heren, maar sublimeren!

Ach, ik kan het niet laten. Zou rijmen een dwang zijn?
Hoe dan ook, hartelijk dank.
En een verzoek om de aanmerkingen van je wederhelft op mijn ontboezemingen
over Sinai aan mij te openbaren en neer te schrijven.. Ik blijf cosmetica
bedrijven.

Tot wederziens en -horens.
David



>